MEER
OVER MIDDELEEUWSE PAASSPELEN ~~~~ |
| Bronnen
o.a.
"Nu hoort wat men u spelen zal - Theater in de middeleeuwen"
- Johan Nowé ------ "Das Innsbrucker Osterspiel, das Osterspiel
von Muri" - Rudolf Meier --------
" Europees toneel van middeleeuwen naar renaissance" - M. Gosman
------ "Weihnachtsspiele aus altem Volkstum. Die Oberuferer Spiele"
- Karl J. Schröer und R. Steiner
---------
Toneelstuk "De vraag van Pilatus" - Johannes Heymann Matwich
------ "Symbolen en allegorieen" - Matilde Battistini , vert
Paul van Calster ------
" De Beeldtaal van de Christelijke Kunst ,geschiedenis van de iconografie"
- Jan van Laarhoven
|
| |
-----
SPELEN in de MIDDELEEUWEN -
Al in de vroege middeleeuwen
is de behoefte ontstaan om in de kerk de liturgie meer aanschouwelijk
te maken. Aanvankelijk werden tijdens bijzondere vieringen, meestal door
priesters, de personages uit de evangeliën al zingend uitgebeeld.
Later werden taferelen uit een evangelie als een kleine voorstelling in
de liturgie ingebed. Zo zijn er in heel Europa allerlei spelen ontstaan
welke op den duur vrijer werden van de liturgie en later ook als zelfstandig
theater een eigen leven konden gaan leiden. Deze spelen werden steeds
verder uitgebreid en soms ook platter, zodanig zelfs dat ze vaak uit de
kerken geweerd werden. Van een aantal van deze spelen zijn teksten , geheel
of gedeeltelijk, bewaard gebleven.Door uitbreiding en vermenging met wereldlijke
elementen groeide het liturgisch drama uit tot het geestelijk drama, dat
in vele vormen voorkwam.
Zoals kerstspelen, spelen over driekoningen,Marialegende, heiligen, wonderen,
moraliteiten, mirakelspelen, parabels, profetenspel - mysteriespelen,
passiespelen, en paasspelen.
|
| |
| |
-----
LITURGISCH PAASDRAMA -
De oudst bekende voorloper
van de paasspelen is omstreeks 930 ontstaan in de abdij van Limoges. .De
tekst komt niet uit de bijbel maar vertelt het verhaal van de 3 vrouwen
die het graf van de Heiland bezoeken. Het graf is leeg en een engel spreekt
tot hen. Het gaat hier nog niet over een opvoering maar om liederen welke
door 2 koorhelften in dialoogvorm, nog in het latijn, worden gezongen
(gregoriaans). De oudst bekende opvoering met rolaanduiding komt
uit het Engelse Winchester (ca. 970). In deze tekst worden regieaanwijzigingen
gegeven en er is aandacht voor illusiescheppende aspecten. Dit "
theaterstuk" was echter nog onderdeel van de liturgie. Men noemde
het
"Visitatio Sepulchri" (Grafbezoek van
de drie heilige vrouwen ).
In teksten van ongeveer 100 jaar later ( o.a. trope uit Augsburg
en de paastrope van Utrecht ) komt er een scène bij . De komst
van de apostelen naar het graf, welke zich willen overtuigen van de opstanding.
( Wedren der Discipelen of Jüngerlauf ) . Weer wat later is
er in o.a. Nurenberg en Fleury wederom een scène bij gekomen :
Christus verschijnt in de gedaante van tuinier aan Maria Magdalena. Dergelijke
visitatio's in de vorm van een viering (of feier , Osterfeier
) werden nog eeuwenlang overal in Europa behouden. |
| |
| |
-----
CARMINA BURANA -
Waarschijnlijk omdat er meer
scènes bij kwamen begon men eind 12e eeuw een autonoom paasspel
op te voeren buiten de eredienst om. Alles ging echter nog steeds in het
latijn. In de abdij van Benedictbeuern werd een spel fragmentarisch overgeleverd
als onderdeel van de Carmina Burana (vagantenpoëzie).Een volledig
bewaard spel uit Klosterneuburg stamt uit begin 13e eeuw. Behalve de scènes
van de paasviering
komen er ook scènes bij van de wachters bij het graf, de
verrijzenis ,
de nederdaling naar de hel ,
en de koop van balsem door de 3 vrouwen. Ook een paasspel uit Egmond (
Ludens Paschalis ) is bewaard gebleven . Ook hier worden de teksten
in het gregoriaans gezongen. Aanwijzingen duiden op een grotere wens naar
realisme.
Evenals bij het paasspel van Maastricht wordt hier over de zangwijze vermeld
o.a. :
voce devote - eerbiedig , submissa - omfloerst , lacrimabili - wenend
, alta - luid , jubilantes - juichend |
| |
| |
-----
RIJMENDE VERZEN IN VOLKSTAAL -
Er zijn fragmenten gevonden
van een aantal paasspelen welke als tussenvorm beschouwt kunnen worden.
Deze hebben nog veel elementen van de liturgische vieringen maar tevens
zijn er veel nieuwe onderdelen bijgekomen. Zij zijn niet meer in het latijn.
Het oudste is "La Sainte Resureccion" (De Heilige Opstanding)
in een oud frans dialect uit Normandie. Uit het duitse taalgebied zijn
de meeste spelen bewaard gebleven. Rond 1250 het paasspel uit Muri, als
regie-rol incompleet terug gevonden in 1840 . Het zijn spelen in, meestal
gepaard, rijmende verzen met steeds meer scènes met als bron niet
alleen de bijbelse evangeliën. Zo is de invloed van het apocriefe
evangelie van Nikodemus
een bron voor scènes. Pilatus ,
de Joodse priesters Kajafas en Annas ,
de wachters krijgen een inbreng. .Lucifer en zijn duivelse
Satans
spreken hun gal uit bij de hel. Adam en Eva verschijnen als oude zielen.
De personages worden levend door een eigen karakter en spreken de taal
van hun tijd. In de spelen sluipen ook meer en meer volkse grappen. Passages
soms rechtstreeks uit de kluchten (sotternieën) en komedies.
De marktkramer komt met zijn olie, zalf en balsem. Vooral deze laatste
scène van de zalfkoopman (Mercator) en Robijn (Ruben,Rubin)
zorgt in de spelen vaak voor komische situaties.
Vast en zeker is Shakespeare, enkele honderden jaren later, geinspireerd
door deze spelen toen hij zijn Midzomernachtsdroom schreef. Daarin verschijnt
ook, zoals de marskramerscene, een ander stuk in het spel: opkomst van
de werklieden, die vervolgens weer, voor
Theseus, een toneelstuk opvoeren over
Pyramus en Thisbe.are heeft in zijn "
Midzomernachtsdroom
|
| |
| |
-----
VOLKSE PAASSPELEN -
Overal in Duitsland is het
in de 14e en 15e eeuw een traditie geworden paasspelen op te voeren. Sommige
met nog enkele latijnse liederen. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze
spelen is het volkse karakter. Allen bevatten komische episodes, vast
en zeker als tegemoetkoming aan het publiek. Niet altijd zijn die gedeelten
even verheven maar in onze tijd eerder platvloers te noemen.
Enkele goed overgeleverde spelen welke te beschouwen zijn als cultureel
erfgoed
zijn :
- Het Weense Paasspel (1472) , oorspronkelijk uit Zuid Silezië
- Erlause Paasspel , waarschijlijk uit Karintië
- Het Paasspel uit Redentin (ca. 1460) , vermoedelijk een kopie van een
spel uit Lübeck
- De Paasspelen van Zwickau, Praag, Tours
- en het
|
| |
| |
-----
THüRINGS of INNSBRUCKS PAASSPEL
-
Het handschrift (1391) van
het meest uitgebreide en representatieve paasspel bevindt zich in de bibliotheek
van Innsbruck. Dit spel werd vermoedelijk al opgevoerd in Schmalkalden
bij Erfurt in het duitse Thueringen omstreeks 1330. De andere bovengenoemde
paasspelen bevatten niet alle scenes welke in dit Innsbrucker spel wel
voorkomen.
Het spel begint, na een lied, met de inleiding door de "Meesterzanger".
Deze komt in het spel steeds terug als een soort verteller en spelleider.
Voor de verdere korte inhoud zie bovenaan deze
pagina
De scène van het zielenvangen ,
waar Lucifer nieuwe verdoemden laat zoeken, wordt ook standensatire of
dodendans genoemd. Deze en ook de andere scènes zijn een bron van
inspiratie geworden voor vele kunstvormen. |
| |
|
-----
OBERUFER SPELEN en de BEWERKING -
Rond 1860 is er een spel ontdekt
door Karl Julius Schroër, een onderzoeker van taal en dialecten.
In een duitse enclave ergens in de buurt van Bratislava (Pressburg) werden
nog spelen vertoond, welke nog in oorspronkelijke vorm vanuit de middeleeuwen
overgeleverd waren. Het gaat om een drieluik van spelen rond kerstmis.
De taal in dichtvorm getuigt van grote kunstzinnigheid. Ook in de inhoud
is een hoge spirituele verhevenheid en schoonheid te vinden. De liederen
zijn prachtig . Deze Oberufer spelen worden tegenwoordig over heel de
wereld in gepaste vertalingen jaarlijks opgevoerd.
De auteur van de huidige bewerking van het paasspel heeft zelf als acteur
zeer vaak, in allerlei rollen, in deze Oberufer spelen mee gespeeld. De
sfeer, spiritualiteit, zang, muziek en het bijzondere taalgebruik van
de Oberufer spelen is in deze bewerking dan ook zeker terug te vinden.
De tekst is een gedicht geworden, verstaanbaar en begrijpbaar in onze
tijd. Sommige al te platvoerse passages zijn aangepast. De humor blijft
! |
| |
| |
-----
SLOTGROET VAN MEESTERZANGER -
Ei,
ei, Pasen geeft weerom nieuw leven
Eerst
wil ik u achtbare nog ons groeten geven
Gaat
u koesteren want de zonne rijst aant firmament
Geniet
en geloof dat God ons allen zijn genade zendt
Naar boven |
|

Achtergrond informatie
|
|
Pontius
Pilatus
Romeins stadhouder (procurator) over Judea van 26 tot 36 n.C., tijdens
wiens bewind Jezus tot de kruisdood is veroordeeld. Pilatus speelde een
hoofdrol in het proces tegen Jezus.
Men vindt berichten over hem bij de joodse schrijvers Philo (Legatio ad
Gaium) en Josephus Flavius (De Bello Judaico; Antiquitates Iudaicae), daarnaast
in een in 1961 te Caesarea gevonden Latijnse inscriptie. Philo citeert de
brief van Agrippa I aan de keizer. Over zijn karakter wordt zeer ongunstig
geoordeeld; er wordt gesproken over niets ontziende hardheid, gewelddaden,
omkoopbaarheid, roofzucht, voortdurende terechtstellingen, wreedheden, enz.
De joodse geschiedschrijver Flavius Josephus beschrijft PP als een beetje
stiekem type, die eieren voor zijn geld kiest.
Alle vier de evangelisten verhalen hoe Jezus, na het verhoor door de joodse
raad, voor Pilatus verscheen. Zij vermelden hoe deze aarzelde, Jezus als
onschuldig zag en Hem trachtte vrij te krijgen. Toen hij werkelijk niet
anders kon, vonniste hij Jezus op grond van een politieke aanklacht: Hij
noemt zich‘koning der joden' en ieder die zich zelf als koning benoemd
, overtreedt de wet van de keizer. Hij gaf echter nadrukkelijk aan dat alleen
de joodse leiding hem schuldig bevonden en híj geen schuld vond;
hij waste zich de handen (Matt. 27:24). Opschrift op het kruis van Jezus
(Johannes 19:19) INRI: Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum ( = Jezus van Nazareth,
de koning der joden),
Uit recent onderzoek (Brouns-Wewerinke) komt naar voren dat het Johannesevangelie
enerzijds een product is van zorvuldige samenweving van feit en interpretatie,
anderzijds bestaat uit harde feiten.
Over PP 'dood zijn allerlei legenden ontstaan. Volgens sommige gegevens
zou hij zelfmoord hebben gepleegd, volgens andere zou hij zijn terechtgesteld
(door Nero of Tiberius). Enkele tradities laten hem als christen sterven.
Zijn vrouw, die hem volgens Matt. 27:19 naar aanleiding van een droom waarschuwde
niets tegen Jezus te ondernemen, heet in de legenden Procla of Claudia Procula
en is daar een christen. In de Grieks-orthodoxe kerk wordt zij als heilige
vereerd. |
|
| |
|
Hogepriesters
De hogepriester is in het jodendom de leider van de priesters die de tempeldienst
verrichten.
Toen Herodes
de Grote koning van de Joden werd (Herodiaanse periode), kon hij de Hasmoneese
combinatie van koningschap en priesterschap niet voortzetten, omdat hij
zelf van Idumeese (en dus niet-Joodse) afkomst was. Vanwege de politieke
lading en de daarmee verbonden risico's van het hogepriesterschap behield
Herodes zich het recht voor hogepriesters te benoemen of af te zetten.
Ook zijn opvolgers volgden deze lijn. Daardoor traden er in deze periode
zeer veel verschillende hogepriesters op. Sinds de verwoesting van de
Tweede Tempel in 70 AD is de functie van de Hogepriester vervallen.
Al deze hogepriesters waren ,volgens Flavius Josephus, zonen van Annas
(ook wel Ananus, zoon van Seth), behalve Josef Kajafas (ook Kaifas, Cajafas,
Hebr. Chananja), ), die getrouwd was met een dochter van Annas . In het
Nieuwe Testament wordt Kajafas als schoonzoon van Annas genoemd (Joh 18:13).
Volgens de Thora was het ambt van hogepriester een benoeming voor het
leven (Num 3:10). Annas werd daarom ook nadat hij uit zijn ambt ontheven
was nog aangesproken als hogepriester, net als Kajafas (Luc 3:2). Volgens
het Evangelie naar Johannes werd Jezus eerst kort door Annas ondervraagd
alvorens naar Kajafas gestuurd te worden, alwaar enkele van de Sanhedrin
aanwezig waren. Daar vond de eerste rechtszaak tegen Jezus plaats (Mat
26:57-68).
Annas werd in 6 n. Chr. benoemd tot hogepriester door de Romeinse legaat
Publius Sulpicius Quirinius meteen nadat Herodes Archelaüs was afgezet
en Judea onder direct Romeins bestuur kwam. Hij was de opvolger van Jezus
ben Seë. Annas heeft het ambt van hogepriester tien jaar vervuld
totdat hij in 15 n. Chr. uit zijn ambt ontheven werd door Valerius Gratus.
Zijn opgevolger was Ismaël ben Phiabi.
|
|
|
|
Maria's
Salomena,Salomé of Salome aangeduid als de moeder van Johannes
de Apostel en Jakobus de Apostel 'de meerdere', ‘de zonen van Zebedeüs’.
De naam Salomé komt twee keer voor in het Nieuwe Testament, in het
evangelie van Marcus --"Van een afstand keken ook enkele vrouwen toe,
onder wie Maria uit Magdala ,Salome en Maria Jakobena"--.
(Jakobe, Jacobena, Jacobe) Jacobena is een tante van Jezus, de moeder van
Joses en Jakobus 'de mindere’ (dwz. ‘de jongere’) Deze
laatste wordt voorgesteld als apostel met een knuppel of vollerstang in
de handen waarmee hij zou zijn gemarteld.. Hij is wellicht dezelfde als:
Jakobus de ‘zoon van Alfëus’
Marcus 16:1: zegt ook : "Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria
uit Magdala en Maria de moeder van Jacobus‘, en Salome geurige olie
om hem te balsemen".
Salome wordt ook genoemd in het evangelie van Thomas, logion 61: Salomé
zei: - "Mens, wie ben jij? Je hebt je neergezet op mijn rustbed en
je eet van mijn tafel, alsof je namens iemand komt. - Jezus zei haar: -
Ik kom namens een gelijke. Mij werd gegeven van wat mijns vaders is. - Salomé
zei: - Ik ben je leerling".
Deze Salomé is niet dezelfde als de gelijknamige dochter van Herodias,
die de dood van Johannes de Doper bewerkstelligde, maar van wie de naam
in het Nieuwe Testament niet genoemd wordt.
Maria Magdalena, ook Maria van Magdala genoemd, een door Jezus van bezetenheid
genezen vrouw (Luc. 8:2). Zij trok met Jezus mee en was ook aanwezig bij
de kruisiging en de graflegging van Jezus . Volgens Joh.was zij de eerste
aan wie Jezus zelf na zijn verrijzenis verscheen. Door de identificatie
van deze Maria met de zondares uit Luc. door Latijnse kerkvaders, wordt
zij in legende en kunst later nogal eens afgebeeld als de boetvaardige zondares.
Zij wordt ook weleens gelijkgesteld met Maria van Betanië, de zuster
van Lazarus, een voorname, aanzienlijke vrouw en dan afgebeeld met een zalfpot
in de hand. Een oosterse traditie lokaliseert haar levenseinde te Efeze,
in de omgeving van Johannes de Apostel. Volgens een westerse middeleeuwse
legende zou zij met Lazarus naar Zuid-Frankrijk zijn gekomen en in Aix-en-Provence
of in Saint-Maximin zijn begraven. Vooral haar cultus te Vézelay,
waar men sinds de 11de eeuw beweerde haar relieken te bezitten, heeft de
Maria Magdalena-verering in Frankrijk en geheel West-Europa gestimuleerd.
Feestdag: 22 juli. |
|
|
|
Duivels
Lucifer een van de namen die in de christelijke traditie gebruikt
zijn voor de vorst van de demonen, voorgesteld als een gevallen engel.
De oorsprong van deze benaming ligt in een spotlied op de koning van Babel
in het bijbelboek Jesaja, waar deze wordt vergeleken met de uit de hemel
gevallen morgenster (Lucifer = lichtdrager, morgenster).Demon, betekende
in het Grieks oorspronkelijk godheid; de betekenis zwakte daarna af tot
halfgod, goddelijke macht en geest, totdat het woord uiteindelijk de betekenis
kreeg van ‘boze geest’
Duivel (Gr.: diabolos, vertaling van het Hebr. satan = lasteraar, kwaadspreker,
tweedrachtzaaier), de naam van de figuur die in het Nieuwe Testament Satan
en verder Beëlzebul,( Beëlzebub, Belial ) vorst van de demonen,
heer van de vliegen, overste der wereld, god van deze eeuw wordt genoemd
en daar optreedt als ‘de vijand’, de Boze, de grote tegenstander
van God, de verzoeker en aanklager der mensen . Uit de apocriefen komt
de opvatting dat de duivel, oorspronkelijk een engel (Serafijn), wegens
hoogmoed uit de hemel is gestoten. Satan staat aan het hoofd van een leger
van duivels, tracht de vromen verdacht te maken, martelt de verdoemden
en poogt zelfs de engelen tot afvalligheid te verleiden .Een van zijn
trawanten, Asmodi, belaagt vooral vrouwen . Door de ‘afgunst des
duivels’ is ook de dood in de wereld gekomen.
Christus weerstaat de verzoekingen van de duivel.. Zijn optreden, het
uitdrijven der demonen, betekent de triomf over de duivel en de boze geesten.
De duivel, ‘de grote draak’, ‘de oude slang’,
is reeds uit de hemel gevallen . Doch hij is nog machtig en blijft zijn
heerschapij op aarde uitoefenen , poogt ‘als engel des lichts’
te verleiden , tweedracht te zaaien, werkt in het optreden van de Antichrist
en achter het verraad van Judas. Maar als het Duizendjarig Rijk aanbreekt,
dan wordt de duivel gebonden en uiteindelijk wacht hem het ‘eeuwig
vuur’.
In de stichtelijke literatuur is dikwijls sprake van de wanhopige strijd
van heiligen, monniken en kluizenaars tegen de verleidingen van de duivel.
Zijn aanvallen worden afgeslagen door het noemen van de naam van Jezus
of van de Heilige Maagd, door het kruisteken, wijwater, gebed of vasten.
De duivel, symbool van het kwaad, is vooral in de vroeg-christelijke
en vroeg-middeleeuwse kunst in tal van gedaanten afgebeeld. Dieren (slang,
everzwijn, leeuw, raaf, bok, gier, vleermuis) en fabeldieren (aspis, basilisk,
draak, griffioen) die op een of andere wijze het kwaad symboliseerden,
werden daarom tot personificatie van de duivel. Sedert de 12de eeuw kregen
deze dieren, wellicht onder invloed van de mysteriespelen, soms een mensenhoofd
dat aan een dier (hert of geit) doet denken. Deze droegen horens, hadden
vaak bokkenpoten of klauwen en meestal een staart, soms vleugels (evenals
alle gevallen engelen). Het is Jeroen Bosch geweest die de vermenging
van dierlijke elementen in de gedaante van de duivel tot het uiterste
heeft doorgevoerd.
Ahriman, in de Perzische religie(mazdeïsme) de belichaming van de
leugen, de boosheid en de duisternis. Het mazdeïsme ziet het gehele
wereldproces als een strijd tussen de ‘goede’ hoofdgod Ahoera
Mazda (= Wijze Heer), terzijde gestaan door de zes Amesja spenta's (=
Zegenrijke Onsterfelijken), en de ‘slechte’ Ahriman (= Boze
Geest) en zijn helpers, die ten slotte met de nederlaag van de laatsten
zal eindigen.
Ook nog te vermelden als bekenden uit de wereld van het kwaad:
Leviatan de slang (krokodil), een chaosdier dat ook in de Oegaritische
literatuur (Oegarit) vermeld wordt als ‘Lotan, de vluchtende slang,
de kronkelende slang, de machtige met de zeven koppen’. In de latere
apocalyptische literatuur is de Leviatan een antigoddelijke macht, die
in het laatste oordeel vernietigd wordt.
Gog, volgens het visioen van Ezechiël de leider van de antigoddelijke
wereldmacht. Hij wordt voorgesteld als de grootvorst van Mesek en Tubal,
zuidoostelijk van de Zwarte Zee, en als wonende in het land Magog
|
Naar boven |
| |
|
| Voorgeborchte
(limbus, = rand, zoom)
In de rooms-katholieke theologie gebruikte term om de toestand
aan te duiden van diegenen die na hun sterven nog niet deel kunnen krijgen
aan de hemelse glorie van Christus, maar ook niet in hel of vagevuur verblijven.
Vagevuur ( purgatorium = loutering)
Overgangssituatie waarin de mensen die in vrede met God zijn gestorven,
maar nog dagelijkse zonden of tijdelijke zondestraffen hebben uit te boeten,
verkeren
Hel (inferno)
Dodenrijk (sjeool) waar gestrafte zondaars na hun dood verblijven
en eeuwigdurend kwellingen ondergaan. De strafplaats van duivels en verdoemden
ook genaamd Gehenna, d.i. dal van Hinnom.Vaak voorgesteld als de antieke
Hades, vanaf de 11de eeuw als de geopende muil van een groot beest. In
de 14de eeuw ontstond onder invloed van het dichtwerk van Dante, La Divina
Commedia (= De goddelijke comedie), de voorstelling van een kegelvormige
krocht waarin op verschillende verdiepingen de zielen worden gepijnigd.
|
|
|
|
|
Apocriefen
Oude Testament
Er is verschil van opvatting en terminologie tussen protestanten en rooms-katholieken.
Een groep geschriften worden door rooms-katholieken wel als canoniek erkend,
maar door protestanten buiten de canon gesteld. Deze geschriften heten
bij de protestanten apocrief, bij de rooms-katholieken deuterocanoniek.
Toen de Reformatie de term ‘apocrief’ voor deze groep geschriften
had gereserveerd, ging men de overige geschriften rond het Oude Testament
als ‘pseudepigrafen’ aanduiden, terwijl de Rooms-Katholieke
Kerk deze groep ‘apocriefen’ bleef noemen.
Het zijn een aantal joodse geschriften die niet in de Hebreeuwse bijbel,
maar wel in de oude Griekse vertaling zijn overgeleverd (de Septuaginta
of Septuagint, afk. v. interpretatio septuaginta virorum = vertaling van
de zeventig mannen), De naam is ontleend aan een in de brief van Aristeas
overgeleverde legende volgens welke 72 geleerden uit Israël in 72
dagen te Alexandrië het Oude Testament in het Grieks vertaald zouden
hebben. Hoewel deze geleerden in afzondering hadden gearbeid, bleken,
aldus de legende, de vertalingen volmaakt overeen te stemmen. Kenmerkend
voor de Septuaginta is de open canon, waardoor de deuterocanonieke boeken
tot de bijbelcanon toegang kregen en via de Vulgaat (of vulgata zijn 400
vertaalde of bewerkte Latijnse bijbeluitgave) mede normatief werden voor
de vorming van het kerkelijk dogma. De voornaamste codices zijn de Sinaïticus,
Vaticanus en Alexandrinus.
De O.T. apocriefe geschriften volgens protestantse opvatting zijn: a.
De boeken Tobia, Judith, Wijsheid van Salomo (Boek der wijsheid), Profetie
van Baruch, Brief van Jeremia, 1 en 2 Makkabeeën en de toevoegingen
bij Daniël en Ester. Dit zijn de rooms-katholieke deuterocanonieke
geschriften; b. 3 (en 4) Makkabeeën, 3 (en 4) Ezra en het Gebed van
Manasse.
Apocriefen in rooms-katholieke zin zijn alle overige geschriften, die
rond het Oude Testament zijn ontstaan.
De voornaamste zijn: het Boek der Jubileeën, de Testamenten der Twaalf
Patriarchen, het Boek Henoch, de Tenhemelopneming van Mozes (Assumptio
Mosis), de Hemelvaart van Jesaja, de Psalmen van Salomo, de Apocalyps
van Baruch en de Sibillijnse Boeken. Ook later gevonden geschriften, zoals
het geschrift van Damascus of het Genesis-Apocryphon van Qumran, worden
vaak tot deze geschriften gerekend. Andere geschriften van deze groep
zijn geheel verloren gegaan of alleen naar de titel bekend gebleven.
Nieuwe Testament
Er bestaat geen verschil van opvatting tussen protestanten en rooms-katholieken.
Van vele apocriefe boeken is ten gevolge van hun verwerping door de Kerk
alleen nog maar de titel bekend gebleven. Van andere zijn slechts fragmenten
overgeleverd. Enkele van de apocriefen van het Nieuwe Testament stammen
nog uit de tijd vóór de afsluiting van de canon. Ze werden
in enigszins afgelegen gebieden of afgesloten groeperingen bewaard en
ook gebruikt. Van andere is het duidelijk dat ze althans zeer oude overleveringen
bevatten. Daarnaast zijn er ook van latere datum, tot soms zeer recente
toe, die bijv. tegemoet kwamen aan de behoefte meer te weten over dingen
waarover het NT zwijgt of weinig zegt: de kinderjaren van Jezus, het lot
van de menselijke ziel na de dood, de avonturen van de apostelen in verre
landen, enz. Het vertellende, legendarische en ook het fantastische element
is in deze apocriefen veelal sterker dan in het NT zelf.Een moeilijkheid
bij de verspreiding van deze verhalen was, dat ze in de tijd van hun ontstaan
uiteraard nieuw en onbekend en dus voor kerkelijk gebruik ongeschikt en
onaanvaardbaar waren. Daaraan moest veelal deze voorstelling tegemoet
komen dat het desbetreffende geschrift wel degelijk oud en van apostolische
oorsprong was, maar tot dan toe verborgen (apocrief) was gebleven. Een
oud, eerst onlangs ontdekt apocrief boek als het Evangelie van Thomas
in het Koptisch, maar ook een veel jonger werk als het Arabische Evangelie
van Johannes behoren tot deze categorie.
Voorbeelden zijn
- "Evangelien" - het Evangelie van de Ebionieten, van de Hebreeën,
van Petrus, Filippus, Tomas, Mattias; het ‘Apocryphon van Johannes’,
het Evangelie der Waarheid; het ‘Protevangelium van Jakobus’;
het Evangelie van Maniuit
- "Handelingen van de Apostelen": - bijv. Kerygma van Petrus;
de brief van Paulus aan de Laodicenzen; de brieven van Paulus en Seneca;
de Handelingen van Johannes, Petrus, Paulus, Andreas, Tomas; de pseudo-Clementijnse
literatuur.
- "Openbaringen": - Openbaring van Petrus, van Paulus, van Tomas;
christelijke Sibillijnse Boeken
- Overige o.a. - de Oden van Salomo en de Psalmen van Tomas
Oden van Salomo
Een bundel van 42 vroeg-christelijk-gnostische liederen.
Afkomstig uit het begin van de 2de eeuw n.C., geschreven óf in
het Grieks óf in het Syrisch, hetzij te Antiochië, hetzij
te Edessa. Lange tijd waren zij alleen bekend uit Lactantius die de 19de
ode aanhaalt, en uit de Pistis Sophia, waar de oden 1, 5:1–10, 6:8–18,
22 en 25 geciteerd worden. J. Rendel Harris ontdekte in 1909 een Syrisch
handschrift waarin van de 42 oden alleen de eerste, de tweede en het begin
van de derde ontbraken. In 1959 werd op een papyrus Ode XI in het Grieks
aangetroffen.
Centraal is voor de dichter de overgang van onwetendheid naar waarheid,
van duisternis naar licht. Christus is degene die uit de wereld van het
licht is neergedaald in de wereld van de duisternis en die door de overwinning
op de machten van de dood ook de weg terug mogelijk maakt naar het paradijs.
De aarde, hoewel afkomstig van God, is vol duisternis. De auteur kent
wel een verlossing uit de wereld, maar niet van de wereld. Typisch voor
de Oden van Salomo is ook dat de verloste mens gelijk wordt aan zijn verlosser.
De oden vertonen joodse invloed, in mindere mate ook invloed van de Johanneïsche
geschriften, alsmede verwantschap met de geschriften van Qumran, het Evangelie
van de Waarheid en de gnostiek.
Dode-Zee rollen
Gangbare benaming voor de handschriften die sinds 1947 aan de westzijde
van de Dode Zee zijn gevonden, te dateren tussen de 2de eeuw v.C. en de
2de eeuw n.C. De eerste (toevallige) ontdekking omvatte zeven manuscripten
met o.a. een complete tekst van Jesaja. Hierna werden honderden kleine
fragmenten gevonden, een document over de priesterlijke en koninklijke
Messias die men verwachtte, koperen rollen met een beschrijving van plaatsen
waar grote schatten verborgen zouden zijn en fragmenten van de apocriefe
en pseudepigrafische literatuur. Al het materiaal wordt bewaard in een
speciaal hiervoor te Jeruzalem gebouwd museum, Hechal Ha-sefer (= Heiligdom
van het Boek).
De teksten van de oudtestamentische handschriften zijn van groot belang
voor de kennis over het ontstaan van de tekst van het Oude Testament.
De Dode-Zeerollen hebben aanleiding gegeven tot discussie o.a. over een
eventuele relatie tussen de sekte van Qumran en figuren die voorkomen
in het Nieuwe Testament, zoals Jezus en Johannes de Doper.
Nag Hammadi
Plaats in Egypte, op de linker Nijloever, ca. 100 km stroomafwaarts van
Luxor. Rond 1946 werd er bij toeval een vondst gedaan, bestaande uit dertien
boeken (codices) in de Koptische taal, daterend uit de 4de eeuw n.C. De
bladzijden bestaan uit papyrus en de boeken zijn in leren banden gebonden.
Het dialect varieert tussen Sahidisch en Subachmimisch. De codices bevinden
zich in het Koptisch Museum te Caïro. Elk boek bestaat uit verscheidene
geschriften, die voor een groot deel een titel dragen. Het totaal aantal
geschriften bedraagt 51. Het oorspronkelijke aantal bladzijden was 1068
en waarschijnlijk meer. Het aantal bewaard gebleven bladzijden (sommige
zeer lacuneus) is 1014. Codex I, de zgn. Codex Jung, vertegenwoordigt
vrijwel geheel de gnostische school van Valentinus, andere geschriften
behoren tot het hermetisme, maar ook andere wijsgerige of populair-wijsgerige
stromingen zijn vertegenwoordigd, zoals het platonisme en de Stoa . De
inhoud van de codices is van belang, omdat deze inlichtingen verschaft
omtrent geestelijke stromingen die door de oude kerk als ‘ketters’
werden afgewezen en die tot nu toe slechts bekend waren uit de bestrijding
van apologeten en kerkvaders
|
|
|
|
Nikodemus
Nikodemus (ook Nicodemus; Grieks Hebreeuws Nakdimon ) was een Farizeeër
en een lid van de Sanhedrin .die heimelijk lessen volgde bij Jezus
Hij gaf zijn steun aan Jezus Christus. Nikodemus wordt drie keer genoemd
in het Evangelie naar Johannes. Er bestaat ook een apocrief boek: het Evangelie
naar Nikodemus (Acta Pilati), waarin hij de vraag van Pilatus beschrijft.
Dit "Evangelium Nicodemi" is de voornaamste bron van de nederdalingsscène
( Descensus ad Infernos, Hades ). Nikodemus is ook een heilige van de Rooms-Katholieke
Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken. De naamdag van Nikodemus wordt in de
Rooms-Katholieke Kerk gevierd op 3 augustus, en in de Oosters-Orthodoxe
Kerk op verschillende dagen, de derde zondag na Pascha, of op 2 augustus,
de dag waarop de relikwieën van Nikodemus, Stefanus en Gamaliël
gevonden zouden zijn. |
|
|
|
Ziel
In het Griekse denken levensbeginsel. Sinds Plato opgevat als een immateriële
substantie, onafhankelijk van het lichaam en onsterfelijk.
Over de antieke volken kan in het algemeen gezegd worden dat zij er niet
een psychologie, in de zin van een leer over de ziel, maar eerder een godsdienstige
antropologie op na houden. Lichaam en ziel vormen voor hen een eenheid;
het lichaam is bezield. Hetzelfde geldt voor de bijbelse, zowel de oud-
als de nieuwtestamentische, antropologie. Soms vat men de ‘ziel’
op als een kracht die over het gehele lichaam verspreid ligt en die speciaal
gezeteld is in het haar, de nagels, het bloed, de adem. Vaak kent men een
aantal ‘zielen’, bijv. in oud-Egypte, waar men de ba, de ka,
de schaduw als zielewezens onderscheidde. Soms ook gelooft men dat de ‘ziel’
zich voor korte of langere tijd buiten het lichaam kan ophouden (external
soul). Interessant is de Oud-Perzische opvatting over het wezen van de mens;
hierin onderscheidt men: het lichaam, het leven, de gestalte, waarneming
en intellect, de ziel, het geestelijk oerwezen. Dit laatste element is het
belangrijkst, want dit oerwezen is in staat de goede keuze voor de waarheid
te doen, de keuze waartoe Zarathoestra zijn volgelingen opriep. Ten aanzien
van de brahmanistische en boeddhistische leer van de reïncarnatie is
de vraag wat wedergeboren wordt: is dit de‘ziel’ van de mens
. Dit geldt vooral voor het boeddhisme, dat het bestaan van een ik ontkent.
In christelijke kringen heeft men getwist over de vraag of de oorsprong
van de ziel door God bepaald is op het moment van de ontvangenis, dan wel
door voortplanting uit de ouder wordt ontvangen (traducianisme).
Uit een sterk geloof in de zelfstandigheid van de ziel volgt vanzelfsprekend
de overtuiging dat de ziel onsterfelijk is. |
|
|
|
| Verrijzenis
of Opstanding
Begrip dat in de bijbel op tal van plaatsen voorkomt in verband met de
verrijzenis van de doden en de verrijzenis van Jezus Christus.In het Nieuwe
Testament behoort de verrijzenis tot het centrum van de prediking. Over
de verrijzenis van Jezus berichten verschillende verhalen in de laatste
hoofdstukken van de evangeliën en ook teksten in Handelingen en de
brieven (m.n. 1 Kor.). Deze uiteenlopende berichten spreken vooral over
het lege graf en verschillende verschijningen van de opgestane Heer. In
al deze gegevens heeft men naar de bedoeling van het Nieuwe Testament
te doen met een machtig ingrijpen van God en een teken van het aangebroken-zijn
van een nieuwe wereld waarin de dood in beginsel overwonnen is.
De verrijzenis van de doden is met die van Jezus Christus nauw verbonden.
Christus is de eersteling uit de doden en degenen die bij Hem behoren,
zullen mét Hem opstaan (1 Kor. 15). Over het 'hoe' van deze verrijzenis
spreekt het Nieuwe Testament slechts in aanduidingen. Het geloof in de
verrijzenis dient duidelijk onderscheiden te worden van het geloof in
de onsterfelijkheid van de ziel.
|
|
|
|
Pasen
Christelijk feest ter herdenking van de Verrijzenis van Jezus. Het hoogfeest
is in het christendom het feest van de overwinning over de machten van de
dood en de zonde.
De oorsprong van de christelijke paasviering ligt in de joodse liturgie,
die na een lange ontwikkeling (waarin twee tradities samenvloeien, die van
de ongedesemde broden en die van het slachten van het lam) uitdrukkelijk
wordt geconcentreerd op de herdenking van de bevrijding uit Egypte, van
de tocht door het water en de woestijn naar het beloofde land. De herdenking
van Gods grote daden voedt het geloof en de hoop op de toekomst ( Pesach).
De christelijke paasviering herdenkt dezelfde geschiedenis van God en zijn
volk, maar nu vooral in de persoon van Jezus, die het nieuwe paaslam werd.
De christelijke paasviering was zeker in de na-apostolische tijd in het
Oosten en in het Westen bekend, zoals blijkt uit de berichten over de zgn.
paasstrijd in de 2de eeuw.
Triduum Sacrum: Goede Vrijdag (lijden en sterven), Paaszaterdag (grafrust)
en paaszondag, vormden na de kerkvrede (Edict van Milaan (313), één
geheel.
De paaswake was een samenvatting van deze drie dagen, vooral toegepast op
degenen die gedoopt werden. In deze tijd werd de paaszondag de blijde afsluiting
van het Triduum, het hoogtepunt van het kerkelijk jaar. Men vindt deze opvatting
van het Paasfeest in vele geschriften, o.a. in sommige preken van Augustinus
en van paus Leo de Grote.
In de Latijnse ritus vanaf de middeleeuwen tot in de moderne tijd werd de
paaszondag geïsoleerd van de voorafgaande dagen. Nu omvatte het zgn.
Triduum; Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag, en werd een voorbereiding
op de Paaszondag. De nachtwake (paaswake) werd van de nacht verschoven naar
de Paaszaterdagmorgen of -middag. Men verloor de eenheid van het paasmysterie
uit het oog, alhoewel men de oude teksten meestal handhaafde.
In 1955 is de liturgie van de Goede Week op basis van historische gegevens
herzien. Belangrijker nog was het resultaat van het Tweede Vaticaans Concilie,
dat in zijn Constitutie over de Liturgie het mysterie van Pasen het fundament
noemt voor elke liturgische viering en dat tegelijk een gehele herziening
van de paasliturgie in het vooruitzicht stelde. Dit werk is in 1970 voltooid
met het verschijnen van het nieuwe Missale Romanum.
Ook in de protestantse kerken heeft de liturgische beweging nieuwe initiatieven
met betrekking tot de paasviering ontwikkeld en gestimuleerd. |
|
|
|